Een grote groep leraren verwelkomt deze manier van werken, en de richting en ruimte die de leerplannen bieden. Deze verandering is net wat ze willen: vrijheid voor hun lesaanpak (geen vrijblijvendheid) en ruimte om leerlinggericht te werken. Een tweede groep leraren is onzeker, vreest houvast te verliezen of weet niet hoe één en ander kan aangepakt worden. Ze voelen zich niet opgeleid om in een brede artistieke vorming te voorzien. Binnen de academie en de vakgroepen zal regelmatig aandacht moeten gegeven worden aan het bespreken van de betekenis, de aanpak en de wijze van competentiegericht werken en evalueren. ook het stimuleren van co-teaching, collegiale visitatie en navorming kunnen helpen. Een derde groep heeft het er lastiger mee. Deze leraren ontlenen hun identiteit sterk aan de wijze waarop ze zelf hun vak hebben aangeleerd. Zij hebben moeite met de verruimde opvatting over het (kunst-) leraar zijn. Functioneringsgesprekken waarin heldere verwachtingen worden uitgesproken en (samen) gezocht wordt naar het zetten van kleine stappen in de ontwikkeling van de eigen professionaliteit helpen soms. een minderheid van leraren is ronduit tegen. Het aanbieden van een brede artistieke vorming is een zaak van de gehele academie. Daartoe heeft ze een waaier aan verschillende leraren nodig. Elk met specifieke didactische competenties. Er bestaat niet zoiets als een ideaaltypisch lerarenprofiel.